The Electric Swaying Orchestra (1991-92)

In 1968 schreef Steve Reich het muziekstuk Pendulum Music. Vier of meer microfoons hangen aan hun kabel boven een luidspreker. De versterker is zo afgesteld dat wanneer een microfoon zich recht boven zijn luidspreker bevindt rond zingt. Aan het begin van het stuk trekken de performers de microfoons naar zich toe en laten los. De microfoons slingeren heen en weer over de luidsprekers. Op het eind hangen de microfoons stil boven de luidsprekers en er klinkt een continue rondzingtoon. Einde muziekstuk. Niet iedereen die het Electrisch Zwaai Orkest ziet zal onmiddellijk aan Pendulum Music denken, maar toch zijn deze projecten zeer verwant aan elkaar. In beide projecten bepalen wisselende afstanden tussen geluids-opnemers en geluids-weergevers de muzikale uitkomst. De performers van Pendulum Music zijn vervangen door motoren, de analoge feedback door digitale feedback. Was bij Reich de uitdempingstijd de onvoorspelbare factor, bij het E.Z.O. zijn het parametrisch aangedreven slingers. De parametrisch aangedreven slinger is een intrigerend onderwerp uit de natuurkunde binnen het kader van orde en chaos theorieën. Zoals ook bij eerdere projecten van Bosch & Simons spelen onvoorspelbare, labiele evenwichten een belangrijke rol in het concept. Door situaties waarin complete controle onmogelijk is ontstaan muziekstukken die in elke uitvoering uniek zijn. Bamboe-Lucht (1986-87), een dertig minuten durend concert van klankstapelingen, is afhankelijk van de hoeveelheid lucht die opgeslagen wordt in reusachtige ballonnen. Bij Was der Wind zum Klingen bringt (1989-90) bepaalt een zichzelf genererend computerprogramma, gebaseerd op het principe van “cellulaire automaten”, het verloop.

Het Electrisch Zwaai Orkest maakt gebruik van zes slingers, die – in tegenstelling tot de in de geschiedenis gebruikte tijd en ritme scheppende slingers – chaos brengen. De slingers worden aangedreven door het ophangpunt mechanisch op en neer te bewegen. Het bewegingsgedrag van zo’n slinger hangt af van de bewegingsfrequentie van het ophangpunt. Een elektromotor met variabele snelheid zorgt voor de aandrijving. De slingers kunnen een groot scala aan bewegingen voortbrengen, variërend van de bekende regelmatige slingergang tot onvoorspelbaar, onregelmatig bewegingsgedrag, wat uiteindelijk kan leiden tot vervaarlijk rondzwaaien. Aan het einde van een slinger bevindt zich een microfoon of een luidspreker. Over de luidsprekers zijn elektronische klanken ( gesamplede koper-blaasinstrumenten ) hoorbaar. De rol van de computer die de motoren en het muzikale proces bestuurt is paradoxaal. Enerzijds wordt hij ingezet als een middel om macht uit te oefenen over het systeem, anderzijds heeft hij de gevolgen van zijn beslissingen slechts ten dele in de hand. Hij interpreteert de geluiden die de drie slingerende microfoons opvangen uit de drie slingerende luidsprekers en speelt op grond daarvan nieuwe noten over die luidsprekers. Deze live geïmproviseerde muziek is afhankelijk van de onvoorspelbare bewegingen van de slingers en van wisselende interpretatie- en compositieregels voor de computer. Dit proces herhaalt zich eindeloos. Door de complexiteit en onvoorspelbaarheid van het systeem is elke uitvoering uniek in beweging en geluid.

Dit project werd ontwikkeld in samenwerking met TARt’91 aan de Universiteit Twente te Enschede en werd financieel ondersteund door het Fonds voor Beeldende Kunsten , Vormgeving en Bouwkunst, Amsterdam. Het kreeg een Eervolle Vermelding in de categorie Interactive Art van de Prix Ars Electronica 1992, Linz, Oostenrijk.